‘De Gouden Eeuw’

De Nederlandse Gouden Eeuw

Een heel klein waterland bevrijdt zich uit eeuwen van strijd en wordt de machtigste staat op aarde. Het is een tijd van handel, enorme rijkdom voor een beperkte groep en van vrije geesten. Onder de glans van dit gouden tijdperk ligt een laag van strijd, ongelijkheid en koloniale onderdrukking.

Opstand en Vrijheid

Uit de Tachtigjarige Oorlog komt een totaal nieuw fenomeen tevoorschijn: de Noordelijke Nederlanden, volledig onafhankelijk van Spanje. Een republiek van en voor burgers. Vrijheid wordt een leidend beginsel. Men ziet onbegrensde mogelijkheden.

KENMERKEN VAN DE GOUDEN EEUW

Hoogtepunten

Handel en Wereldmacht

Wetenschap en Vrijheid

De VOC en de WIC zijn en handelsmaatschappijen en symbolen van een nieuwe wereldorde. Amsterdam is de kroon op de Republiek. De Beurs de internationale handelsvloer, de grachten herbergen huizen en opslagplaatsen van de kooplieden. Veraf wordt de prijs van rijkdom betaald met arbeid, geweld en slavernij.

Huygens observeert de ringen van Saturnus, Leeuwenhoek ontdekt een microscopische wereld die niemand nog kende. Filosofen zoals Spinoza durven te denken waar anderen zwijgen: over God, Natuur en rede. Nederland wordt een toevluchtsoord, een klein land met een immense ruimte voor nieuwe ideeën.

Kunst van het Licht

Schaduwen van de Gouden Eeuw

Rembrandt vangt de mens in licht en schaduw, Vermeer schildert schoonheid in alledaagse taferelen. In hun werk leeft de trotse Republiek.

Het zijn niet langer alleen paleizen en kerken die kunst dragen; de burger zelf wordt opdrachtgever.

Armoede blijft op straat zichtbaar, slavernij en koloniale exploitatie zijn onmenselijk, oorlogen dreigen voortdurend. In het Rampjaar wordt de Republiek herinnerd aan haar kwetsbaarheid. De pracht van de Gouden Eeuw is verweven met onzekerheid en strijd.

Mogelijk school de ware kracht van de Republiek in de vrijheid van geest voor wetenschappers, kunstenaars en denkers.

Historische Gebeurtenissen

Oprichting van de VOC

De Vrede van Münster

De Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC-, opgericht in 1602, was een van de meest invloedrijke handelsorganisaties uit de wereldgeschiedenis. Het was niet alleen de eerste multinationale onderneming, maar ook het eerste bedrijf dat aandelen uitgaf. Daarmee legde de VOC de grondslag voor het moderne kapitalisme. In de zeventiende eeuw speelde zij een sleutelrol in de bloei van de Gouden Eeuw en vormde ze het begin van het Nederlandse koloniale rijk in Azië.


De achtergrond van dit succes ligt in de grote Europese handelsdrift van de zestiende eeuw. In die tijd probeerden verschillende Europese landen rechtstreeks handel te drijven met Azië, vooral om specerijen als peper, nootmuskaat en kruidnagel te verkrijgen. Deze waren in Europa zeldzaam en daarom buitengewoon winstgevend. Aanvankelijk beheersten de Portugezen en later de Spanjaarden deze lucratieve handel, maar tegen het einde van de eeuw begonnen ook Nederlandse schepen de verre reizen te ondernemen.


In de Republiek bestonden toen veel kleine handelscompagnieën die elkaar fel beconcurreerden. Die onderlinge strijd verzwakte de positie van de Nederlanders tegenover de buitenlandse concurrentie. Daarom besloot de Staten-Generaal tot een grote fusie: in 1602 werd de VOC opgericht, met het monopolie op de handel in Azië namens de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.


De VOC kreeg uitzonderlijke bevoegdheden. Ze was niet zomaar een handelsbedrijf, maar beschikte over rechten die normaal alleen staten hadden. Ze mocht verdragen sluiten, forten bouwen, legers inzetten, oorlog voeren en zelfs gebieden besturen. De leiding lag bij de Heren XVII, een raad van bestuur die het beleid bepaalde vanuit Nederland. In Azië lag het bestuurlijke centrum in Batavia, het huidige Jakarta, van waaruit het enorme handelsnetwerk werd aangestuurd.


Een van de meest vernieuwende aspecten van de VOC was de manier waarop ze kapitaal verzamelde. Als eerste onderneming ter wereld gaf ze aandelen uit aan burgers. Investeerders konden zo meeprofiteren van de winst en het risico werd gespreid. De Amsterdamse beurs, waar deze aandelen werden verhandeld, groeide uit tot een belangrijk financieel centrum dat handelaren uit heel Europa aantrok.


Voor Nederland bracht de VOC ongekende rijkdom. De specerijenhandel leverde enorme winsten op, die de Gouden Eeuw mogelijk maakten. De opbrengsten vloeiden terug naar steden als Amsterdam, die uitgroeide tot het financiële en handelscentrum van Europa. Kunst, wetenschap, stadsbouw en scheepvaart bloeiden dankzij het kapitaal dat de handel opleverde.


Maar het succes had ook een schaduwzijde. In Azië voerde de VOC een harde en vaak gewelddadige politiek. Lokale bevolkingen werden onderworpen, concurrenten uitgeschakeld en handelsroutes met geweld gecontroleerd. In sommige gebieden, zoals de Banda-eilanden, ging dat gepaard met bloedige veroveringen en massamoord, allemaal om de winstgevende specerijenhandel te monopoliseren. Wat economisch een groot succes leek, rustte dus deels op uitbuiting en onderdrukking.


Op de lange termijn maakte de VOC van de Republiek een wereldmacht op zee, maar intern raakte het bedrijf steeds meer verstrikt in corruptie en schulden. Tegen het einde van de achttiende eeuw was het systeem onhoudbaar geworden. In 1799 werd de VOC opgeheven, en de Nederlandse staat nam haar bezittingen over. Daarmee begon de overgang naar het Nederlandse koloniale rijk in de negentiende eeuw.


De geschiedenis van de VOC laat zien hoe grootschalige handel, winstzucht en macht samen kunnen gaan met vernieuwing, geweld en uitbuiting. De onderneming bracht welvaart en vooruitgang, maar ook lijden en ongelijkheid. Zo werd de VOC het symbool van zowel de glorie als de schaduwkant van de moderne wereldeconomie.

In 1648 werd in de Duitse stad Münster, in Westfalen, een van de belangrijkste verdragen uit de Europese geschiedenis gesloten: de Vrede van Münster. Dit verdrag maakte officieel een einde aan de Tachtigjarige Oorlog (1568–1648- tussen Spanje en de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Daarmee werd niet alleen de onafhankelijkheid van Nederland erkend, maar ook een nieuw tijdperk in Europa ingeluid.


De achtergrond van deze vrede lag in een lange en bloedige strijd. In 1568 kwamen de Nederlanden in opstand tegen hun landsheer, koning Filips II van Spanje. Wat begon als verzet tegen religieuze onderdrukking, hoge belastingen en het autoritaire bestuur van de koning, groeide uit tot een ingewikkelde oorlog waarin religie, handel en macht met elkaar verstrengeld raakten. De noordelijke gewesten, overwegend protestants, wilden hun geloof en hun vrijheid verdedigen. Terwijl de zuidelijke gewesten grotendeels onder Spaans gezag bleven, ontwikkelden de noordelijke provincies zich geleidelijk tot een zelfstandige republiek, gesteund door hun groeiende economische kracht en succesvolle handel.


Er waren eerder pogingen gedaan om tot rust te komen. In 1609 werd een wapenstilstand gesloten — het Twaalfjarig Bestand — maar na die periode laaide het conflict weer op. Intussen woedde in het hart van Europa een nog grotere strijd: de Dertigjarige Oorlog (1618–1648-, waarin bijna alle Europese grootmachten betrokken waren. De oorlogen liepen zo in elkaar over dat er uiteindelijk gezamenlijke vredesonderhandelingen werden gestart, met Münster en Osnabrück als de belangrijkste onderhandelingsplaatsen.


In Münster bereikten Spanje en de Republiek in 1648 eindelijk overeenstemming. De vrede betekende allereerst dat Spanje officieel de onafhankelijkheid van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden erkende — een enorme stap, want tot dat moment beschouwde Spanje de Nederlanders nog als opstandige onderdanen. Daarnaast werden er territoriale afspraken gemaakt: de Republiek mocht de gebieden behouden die zij tijdens de oorlog had veroverd, zoals delen van Brabant en Limburg, de zogeheten Generaliteitslanden.

Ook de godsdienstkwestie werd geregeld. De gereformeerde kerk bleef de officiële, publieke kerk, maar katholieken kregen een beperkte vorm van vrijheid: zij mochten hun geloof in besloten kring blijven uitoefenen. Verder werden er handelsafspraken gemaakt: Spanje beloofde de Nederlandse handel in de overzeese gebieden niet te belemmeren. 


Daarmee werd de weg vrijgemaakt voor de enorme bloei van de Nederlandse wereldhandel in de decennia daarna.

Voor de Republiek had deze vrede een ongekende betekenis. Voor het eerst werd zij internationaal erkend als een onafhankelijke staat, in een tijd waarin bijna overal nog koningen en vorsten de macht hadden. Deze erkenning gaf politieke rust en economische zekerheid. Daardoor kon de energie van de jonge staat worden gericht op handel, wetenschap, kunst en scheepvaart — de pijlers van wat we later de Gouden Eeuw zijn gaan noemen. Nederland werd een maritieme grootmacht, met handelscontacten van Brazilië tot Indonesië.

Maar de Vrede van Münster had ook gevolgen ver buiten de grenzen van de Republiek. Zij maakte deel uit van de bredere Vrede van Westfalen, die ook een einde maakte aan de Dertigjarige Oorlog in Duitsland. 


Daarmee begon een nieuwe opzet, van soevereine staten,waarin landen elkaars onafhankelijkheid erkenden en als gelijken met elkaar omgingen. Dat was een doorbraak in de Europese politiek en vormde het fundament van het moderne internationaal recht. Opmerkelijk was bovendien dat aan deze onderhandelingstafel niet alleen koningen zaten, maar ook een republiek — iets wat tot dan toe ongekend was.

Op de lange termijn groeide uit dit verdrag het beginsel dat staten elkaars soevereiniteit en grenzen moeten respecteren, een idee dat tot op de dag van vandaag de basis vormt van de internationale politiek. Voor Nederland markeerde de Vrede van Münster het begin van een periode van ruim een eeuw van invloed, welvaart en wereldwijde handel.


De kanonnen zwegen, en wat uit de oorlog geboren werd, was een land dat zijn vrijheid niet alleen bevochten had, maar ook wist te behouden, met de pen in plaats van het zwaard.

Rampjaar 1672

Publicatie van De Ethica

Het Rampjaar 1672 was een existentiële crisis voor de Republiek: aangevallen door vier vijanden tegelijk leek het land reddeloos verloren. Dankzij de waterlinie wist Nederland te overleven. Het Rampjaar werd zo een keerpunt: de Republiek verloor haar onkwetsbaarheid, maar behield haar onafhankelijkheid en invloed in Europa.


In de Nederlandse geschiedenis staat 1672 bekend als het Rampjaar. In dat jaar leek de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden in één klap ten onder te gaan. Van drie kanten werd het land aangevallen — door Engeland, Frankrijk, en de Duitse vorstendommen Münster en Keulen. De wanhoop was groot, en de tijdgenoten vatten het gevoel van die maanden samen in één zin die beroemd zou blijven: “Het volk was redeloos, de regering radeloos en het land reddeloos.”


In de decennia vóór 1672 had de Republiek een ongekende bloei doorgemaakt. Ze was uitgegroeid tot een machtige handelsstaat, met een enorme vloot en rijke steden. De handel bracht welvaart, kunst en wetenschap bloeiden, en Amsterdam was het financiële centrum van Europa geworden. Maar juist die rijkdom en macht wekten afgunst bij andere landen.


Engeland was de grote rivaal op zee; het land streefde naar dominantie over de wereldhandel. Frankrijk, onder koning Lodewijk XIV, wilde zijn invloed uitbreiden naar het noorden en zag in de Republiek een hinderlijke en rijke buur. De Duitse bisschoppen van Münster en Keulen sloten zich bij Frankrijk aan, in de hoop hun eigen gebied te vergroten.


De Republiek stond er diplomatiek alleen voor. Ze had weinig bondgenoten en was militair kwetsbaar, omdat ze in de voorafgaande jaren vooral had geïnvesteerd in handel in plaats van in defensie.

In het voorjaar van 1672 verklaarde Engeland de Republiek de oorlog. Frankrijk, Münster en Keulen volgden kort daarna. In juni 1672 staken Franse troepen onder leiding van Lodewijk XIV de Rijn over. Ze rukten in razend tempo op en veroverden grote delen van het oosten en zuiden van het land. Steden als Utrecht vielen in Franse handen, en overal sloeg de paniek toe. In Den Haag wist de regering niet meer wat te doen. De militaire macht was zwak, de vijand leek onstuitbaar, en het volk verloor het vertrouwen in zijn leiders.

Toch bleek het land niet helemaal weerloos. De Republiek greep naar een oud maar doeltreffend wapen: het water. Grote delen van het land werden onder water gezet door het openzetten van sluizen en dijken — de Oude Hollandse Waterlinie. Deze ondergelopen gebieden vormden een natuurlijke barrière, waar de Franse troepen niet doorheen konden. Zo werden Holland en Zeeland, het economische hart van de Republiek, gered.


Binnenlands liep de spanning echter hoog op. De woede van het volk richtte zich op de leiders van dat moment, de broers Johan en Cornelis de Witt. Zij waren jarenlang de machtigste mannen van de Republiek geweest, maar kregen nu de schuld van de ramp. In augustus 1672 werden ze in Den Haag door een woedende menigte vermoord — een van de donkerste bladzijden uit de Nederlandse geschiedenis.


In de chaos keerde men zich naar de Oranjes voor leiding. Willem III van Oranje, die tot dan toe weinig politieke macht had gehad, werd tot stadhouder en legeraanvoerder benoemd. Onder zijn leiding begon het herstel. De vijand werd gestuit, en stap voor stap wist de Republiek zich te herpakken.


Ondanks de rampzalige gebeurtenissen van dat jaar bleef de Republiek overeind. Dankzij de waterlinie, een hernieuwde militaire organisatie en slimme diplomatie werd het tij gekeerd. Engeland sloot in 1674 vrede, Münster en Keulen volgden, en de Fransen trokken zich na jaren van strijd terug.


Het Rampjaar had diepe sporen nagelaten. Het betekende het einde van de macht van de regenten, de periode waarin bestuurders vooral uit de stedelijke elite kwamen. Willem III nam de leiding over en groeide uit tot een Europese grootmacht; later werd hij zelfs koning van Engeland (in 1689-. De Republiek herstelde haar positie, maar het vertrouwen van het volk in zijn leiders was voorgoed veranderd.


Voor Europa toonde het Rampjaar hoe kwetsbaar zelfs een rijke en machtige handelsstaat kon zijn tegenover de grootmachten van die tijd. Het benadrukte het belang van bondgenootschappen en een evenwicht tussen staten, iets wat later de Europese politiek zou blijven bepalen.


Zo werd 1672 een keerpunt — een jaar van angst, wanhoop en geweld, maar ook van veerkracht en herleving. Uit de bijna totale ondergang herrees de Republiek, kleiner misschien in zelfvertrouwen, maar sterker in ervaring.

De Ethica verscheen pas na Spinoza’s dood, in 1677, omdat hij zelf het risico van publicatie niet durfde te nemen. Dankzij de inzet van zijn vrienden kwam het werk toch uit, in de bundel Opera Posthuma. Hoewel het direct verboden werd, verspreidde het gedachtegoed zich onder denkers en groeide het uit tot een van de belangrijkste boeken van de westerse filosofie. De Ethica van Spinoza is een van de meest indringende werken uit de westerse filosofie. Toch zag dit meesterwerk pas na zijn dood het licht, in 1677. Het is het testament van een denker die zijn leven lang de waarheid zocht, niet in de woorden van de Schrift of in het gezag van de traditie, maar in het licht van de rede. 


Spinoza leefde in een tijd waarin religie en macht elkaar versterkten. Wie anders dacht, liep het risico op uitsluiting of erger. Zijn overtuiging dat God en de Natuur één zijn – dat het goddelijke niet buiten de wereld staat, maar ín alles aanwezig is – was revolutionair. Hij brak met het beeld van een persoonlijke, straffende God en zag in plaats daarvan een oneindige orde, een werkelijkheid die zichzelf uitdrukt in al wat bestaat.

Om die vrijheid van denken te behouden, koos Spinoza voor een teruggetrokken leven. Hij verdiende zijn brood als lenzenslijper en vermeed elke vorm van roem of macht. Zijn huis in Rijnsburg en later in Den Haag was sober, zijn dagen waren stil. Maar in die stilte groeide een filosofie die later de fundamenten van het moderne denken zou schudden.


In de Ethica probeerde Spinoza niet te overtuigen met retoriek, maar te tonen hoe alles met elkaar samenhangt. Hij koos de geometrische methode – dezelfde strenge orde die we vinden in de meetkunde van Euclides. Vanuit definities en axioma’s ontvouwt zich zijn wereldbeeld, stap voor stap, alsof hij het universum zelf in lijnen en verhoudingen tekent.


Toch gaat het hem niet om wiskunde, maar om inzicht. Achter die logische structuur schuilt een diepe wijsheid: dat alles wat bestaat voortkomt uit één en dezelfde substantie, en dat begrip van die noodzakelijke orde ons bevrijdt van angst, verwarring en bijgeloof. De Ethica is zo niet alleen een filosofisch systeem, maar ook een weg naar innerlijke bevrijding.


Toen Spinoza in 1677 overleed, namen zijn vrienden het risico zijn manuscripten uit te geven. In stilte brachten zij in Den Haag de bundel Opera Posthuma uit, met daarin de Ethica, het onvoltooide Tractatus Politicus, een Hebreeuwse grammatica en zijn brieven.


De reacties waren heftig. Het boek werd onmiddellijk verboden en veroordeeld als godslasterlijk. Toch vond het zijn weg naar filosofen, wetenschappers en vrijdenkers door heel Europa.

Voor velen was Spinoza een gevaarlijke ketter; voor anderen een visionair die het denken bevrijdde van angst en autoriteit. Zijn invloed reikte tot ver voorbij zijn tijd: bij de denkers van de Verlichting, bij Goethe, Hegel, Nietzsche, Einstein. Wie de Ethica leest, voelt dat dit boek niet zomaar over ideeën gaat, maar over een andere manier van zien.


Wat Spinoza ons nalaat, is niet slechts een leer, maar een houding: de bereidheid om de werkelijkheid te begrijpen in plaats van te veroordelen. In zijn ogen bestaat alles volgens noodzakelijke wetten – ook de mens, met zijn verlangens, angsten en vreugden. Wanneer we dat inzien, verdwijnen haat en schuld; er komt begrip en rust.


Vrijheid, schrijft hij, is niet doen wat men wil, maar begrijpen wat men doet. Wie zichzelf en de wereld doorziet, handelt niet meer uit blinde drang, maar uit inzicht. Zo leidt de rede tot vrede – niet de koude vrede van afstand, maar de warme vrede van helderheid.


Ruim drie eeuwen later blijft de Ethica een bron van inspiratie. Haar kernidee – dat alles deel uitmaakt van één levend geheel – sluit aan bij moderne ecologische en spirituele visies. Haar psychologie is verrassend actueel: ze laat zien hoe we onze emoties kunnen omvormen tot inzicht. En haar oproep tot innerlijke vrijheid klinkt als een antwoord op de onrust van onze tijd.


De Ethica is geen stoffig filosofisch bouwwerk, maar een levende oefening in zien en begrijpen. Spinoza toont dat geluk en wijsheid niet buiten ons liggen, maar in het inzicht dat wijzelf een uitdrukking zijn van dezelfde kracht die het heelal draagt. Zijn boek blijft een uitnodiging: om te leven met de helderheid van de rede en de rust van de geest.

Aan de vrede van Munster was de onafhankelijkheid al zelf door de Nederlanders uitgeroepen in 1581, met als resultaat de tachtigjarige oorlog, die begon met het vermoorden van edelen door Alva; die uiteindelijk zijn bril verloor.

De geboorteakte van de Nederlandse onafhankelijkheid

Op 26 juli 1581 namen de Staten-Generaal van de Nederlanden een totaal ongekende en ongehoorde stap: zij verbraken officieel hun trouw aan koning Filips II van Spanje.

Dit gebeurde in het Plakkaat van Verlatinghe, een document dat vaak wordt gezien als de geboorteakte van de Nederlandse onafhankelijkheid.

De Nederlanden hadden al eeuwen een traditie van lokale autonomie, privileges en rechten. Maar onder Filips II, zoon van Karel V, groeide de onvrede.

Zijn centralistische bestuur, hoge belastingen en vooral zijn harde vervolging van protestanten botsten met de gewoonten en overtuigingen in de gewesten. Wat begon als loyaliteit aan de koning, veranderde gaandeweg in verzet tegen onderdrukking en tirannie.

Het plakkaat keerde de logica om. Niet de opstandige onderdanen braken hun eed, maar de koning zelf had hen verlaten door zijn plichten te verzuimen. In de tekst staat:


“Alsoo een prince van den lande van Godt gestelt is om zijn onderzaten te bewaren ende beschermen van allen onrecht, geweldt ende overlast, gelijk een herder zijn schapen; (…- soo wanneer hij sulcx niet en doet, maer (…- hen soeckt te verdrucken, te benauwen, hun oude vrijheden en privilegien te benemen en hen te behandelen als slaven, dan en is hij geen prince maer een tyran.”

Hiermee werd vastgelegd dat een vorst die zijn volk onderdrukt, zijn recht om te regeren verliest. Het Plakkaat van Verlatinghe was revolutionair. Voor het eerst werd in Europa officieel vastgelegd dat een volk het recht heeft een heerser af te zetten wanneer die zich als een tiran gedraagt. Het idee zou eeuwen later doorklinken in de Amerikaanse Declaration of Independence -1776- en de Franse Revolutie. Daarmee behoort het plakkaat tot de vroege fundamenten van het moderne denken over vrijheid, rechten en soevereiniteit. Hoewel de weg naar een erkende staat nog lang zou zijn, pas in 1648 bij de Vrede van Münster erkende Spanje de onafhankelijkheid, markeerde het Plakkaat van Verlatinghe een keerpunt. Het gaf woorden aan het besef dat macht niet absoluut is, maar altijd gebonden blijft aan verantwoordelijkheid.