METHODE
Meetkundig
In de Ethica kiest Spinoza ervoor om zijn filosofie op te bouwen als een wiskundig bewijs. In zijn tijd werd meetkunde gezien als de meest duidelijke en betrouwbare manier van redeneren. Spinoza volgt het voorbeeld van Euclides: hij begint met definities en grondregels (axioma’s- en leidt daaruit logisch zijn stellingen af. Zo ontstaat een filosofisch systeem waarin elk inzicht stap voor stap wordt onderbouwd.
Maar Spinoza doet dit niet alleen om het overzichtelijk te maken — het is ook een inhoudelijk standpunt. Hij vindt namelijk dat de werkelijkheid zelf net zo logisch en noodzakelijk in elkaar zit als een wiskundig bewijs. Alles komt voort uit één grondslag (de Substantie- en de wetten die daarbij horen. Daarom kunnen wij de werkelijkheid ook begrijpen, als we ons verstand gebruiken.
Volgens Spinoza is echt geluk niet afhankelijk van toeval of emoties. Geluk ontstaat wanneer we de werkelijkheid begrijpen en ons leven daarop afstemmen. Voor hem is vrijheid dus niet het ontlopen van noodzaak, maar juist het inzien van die noodzaak en ernaar leven.
“Wie de werkelijkheid wil begrijpen zoals ze werkelijk is, moet beginnen bij heldere uitgangspunten. Want waar de begrippen vaag zijn, ontstaat verwarring; en waar de redenering losstaat van vaste grond, dwaalt de geest. Daarom bouw ik mijn beschouwing op zoals de meetkundige zijn figuren construeert: stap voor stap, vanuit het zekere naar het noodzakelijke.
De eerste stap is het vastleggen van definities. Alleen wanneer ik precies zeg wat ik bedoel met woorden als substantie, God, denken, of natuur, kan ik zuiver denken. Een definitie is geen willekeurige beschrijving, maar een afbakening van de essentie: wat iets tot dat maakt wat het is, en niet iets anders. Zo noem ik “God” niet een persoon of schepper buiten de wereld, maar het oneindige geheel van alles wat is en kan zijn.
Wanneer de begrippen zuiver zijn vastgesteld, volgen de axioma’s: eenvoudige waarheden die de geest onmiddellijk inziet. Ze zijn als het fundament waarop alle verdere kennis rust. Niemand hoeft ze te bewijzen, omdat ze voortkomen uit het vanzelfsprekende inzicht van de rede. Zo is het bijvoorbeeld duidelijk dat elk gevolg een oorzaak heeft, en dat niets zonder reden kan bestaan. Zulke grondwaarheden zijn als de vaste grond onder de voeten van het denken.
Van daaruit kunnen de stellingen worden opgebouwd. Elke stelling vloeit logisch voort uit wat eraan voorafging, net zoals de lijnen van een figuur noodzakelijk volgen uit de regels van de meetkunde. Zo wordt stap voor stap zichtbaar hoe alles wat bestaat voortvloeit uit één en dezelfde werkelijkheid: de oneindige substantie, die men God of de Natuur noemen kan.
In deze samenhang vormt zich een gesloten geheel. De definities geven de taal van het denken, de axioma’s leggen zijn wetten vast, en de stellingen tonen hoe de waarheid zich ontvouwt in het licht van de rede.
Zo wordt kennis geen verzameling meningen, maar een keten van inzicht, waarin elk begrip zijn plaats vindt en elke conclusie haar noodzakelijke oorzaak.
Wie deze orde begrijpt, leert niet alleen de structuur van de wereld kennen, maar ook die van zijn eigen geest. Want de mens is geen toeschouwer buiten het geheel, maar een uitdrukking ervan. Door de orde van de dingen te doorzien, komt hij in overeenstemming met de orde van de natuur, en daarin ligt de vrijheid die voortkomt uit inzicht.” – Spinoza
Opbouw
De Ethica is opgebouwd vanaf het meest abstracte naar het alledaagse leven. Het begint met de uitleg wat God, de Natuur en de basis van alles -de Substantie- is. Daarna bespreekt hij drie manieren van kennen: verbeelding, verstand en intuïtie. Alleen verstand en intuïtie geven echt inzicht.
Vervolgens wordt onderzocht hoe onze emoties werken. Het laat zien dat gevoelens en stemmingen geen toeval zijn, maar natuurlijke krachten waar we meestal geen controle over hebben. In het vierde deel wordt uitgelegd hoe deze emoties ons kunnen beheersen en ongelukkig maken.
In het laatste deel komt aan de orde hoe we daaruit kunnen ontsnappen: door inzicht en verstand kunnen we innerlijk vrij worden. Dan ervaren we echte vreugde — wat hij de “intellectuele liefde tot God” noemt.
Voor Spinoza betekent vrijheid niet dat we zomaar kunnen kiezen wat we willen, maar dat we begrijpen waarom de dingen zijn zoals ze zijn … en in harmonie daarmee leren leven.
Spinoza bouwt voort op het werk van René Descartes. Descartes vond dat je alleen zeker kunt weten wat je met je verstand kunt begrijpen: ‘Ik denk, dus ik ben.’ Hij maakte een duidelijk verschil tussen geest -denken- en lichaam -materie-, twee werelden die samen de mens vormen: ofwel dualisme. Spinoza nam het idee over dat we met ons verstand tot echte kennis kunnen komen, maar hij ziet geest en lichaam niet als twee aparte werelden, maar beide uitdrukkingen van één en dezelfde werkelijkheid: de Substantie, die hij God ofwel Natuur noemt. Alles is daarvan een onderdeel. Voor Spinoza is het doel van kennis niet alleen zeker weten dat je bestaat, maar vooral begrijpen waarom alles in de wereld gebeurt zoals het gebeurt. Dat inzicht geeft je vrijheid, omdat je daardoor niet langer wordt meegesleept door blinde emoties, maar bewust kunt handelen op een manier die je kracht en geluk vergroot.
God ofwel Natuur
Spinoza’s identificatie van God met de Natuur –Deus sive Natura– was een radicale breuk met de theologische tradities van zijn tijd. God is geen persoon die ingrijpt, beloont of straft, maar de noodzakelijke grond van al het bestaande. Alles wat is, is een manifestatie -modus- van die ene substantie. Daarmee vervalt de schepper en schepping. Voor Spinoza betekent dit dat religieuze praktijken die zich richten op een persoonlijke God hun basis verliezen. Bidden om een wonder is zinloos, omdat niets de eeuwige orde van de natuurwetten kan doorbreken. Wat wél zinvol is: de natuur – en dus God – leren kennen en ernaar leven. Vandaar dat Spinoza vaak als een religieus denker én als atheïst is bestempeld: religieus, omdat hij spreekt over liefde tot God; atheïst, omdat zijn God niets menselijks of bovennatuurlijks heeft.
Vrije wil
Geluk en vrijheid
Eén van Spinoza’s meest confronterende ideeën is dat vrije wil niet bestaat. Alles wat gebeurt -ook onze gedachten, keuzes en verlangens- is het gevolg van voorafgaande oorzaken. We denken dat we vrij kiezen, maar dat komt alleen omdat we niet doorhebben wat ons gedrag bepaalt.
Spinoza geeft het voorbeeld van een steen die door de lucht vliegt. Als die steen bewustzijn had, zou hij denken dat hij zelf besloten heeft om te vliegen, terwijl hij in werkelijkheid gegooid is. Zo gaat het ook met ons: we voelen ons vrij, maar zien de achterliggende oorzaken niet.
Toch zegt Spinoza niet dat de mens een soort willoze robot is. Hij maakt een belangrijk onderscheid:
Als we handelen vanuit passie -emoties waar we geen grip op hebben-, worden we gestuurd door dingen buiten onszelf.
Als we handelen vanuit rede -begrip van onszelf en de wereld-, handelen we bewust en in overeenstemming met onze ware natuur. Volgens Spinoza betekent vrijheid niet dat je zomaar kunt kiezen wat je wilt, maar dat je begrijpt waarom de dingen gebeuren … en daar bewust naar leeft.
Voor Spinoza is geluk -beatitudo- geen tijdelijk fijn gevoel, maar een staat van inzicht en innerlijke rust. Je bent gelukkig als je niet meer heen en weer wordt geslingerd door je emoties, maar leeft volgens je verstand.
Dat betekent niet dat je geen emoties meer hebt, maar dat je ze begrijpt. Als je weet waar je gevoelens vandaan komen, verliezen ze hun macht over je.
Negatieve emoties zoals haat en jaloezie ontstaan volgens Spinoza uit onwetendheid. Als je begrijpt dat mensen zich gedragen zoals ze ze zich gedragen, wordt haat begrip.
Positieve emoties, zoals liefde, krijgen bij Spinoza een verstandelijke basis. De hoogste vorm daarvan is de verstandelijke liefde tot God –amor intellectualis Dei- een diepe waardering voor de orde van de Natuur. Dit is volgens hem de meest duurzame vorm van geluk: geen vluchtig gevoel, maar blijvend inzicht dat je bevrijdt van angst en afhankelijkheid.
Voor Spinoza is echte vrijheid,leven volgens je verstand; in overeenstemming met de natuur. Niet buiten de wereld staan, maar er bewust in … en in harmonie mee leven.
De ‘God van de Bijbel’ is een absolute vorst die ver boven ‘de wereld’ staat. In het oude Israël had deze voorstelling een duidelijke functie. Een verzameling stammen, elk met eigen belangen en vetes, moest worden samengebracht tot één gemeenschap. Een hoogste autoriteit, almachtig, alwetend en onzichtbaar, maar verheven, werd het bindmiddel. God sprak, beval en leidde het volk zoals een vorst zijn onderdanen. De heiligheid van de wet lag niet in haar redelijkheid, maar in de bron: men gehoorzaamde omdat de Wetgever absoluut was.
Spinoza -een eminent exegeet- draait dit beeld radicaal om. Hij verlaat de hoogte en kiest voor de diepte. God is niet langer een absolute vorst die orders uitdeelt, maar de onmetelijke werkelijkheid zelf. Niet een bovennatuurlijke heerser naast of boven de wereld, maar datgene waardoor alles is wat het is. Spinoza’s God spreekt niet in woorden maar in structuren; niet in geboden maar in noodzakelijkheid. Alles wat gebeurt, volgt uit de aard van de natuur; zoals licht uit de zon stroomt.
Deze verschuiving is niet louter filosofisch, maar existentieel. Een almachtige vorst kan willekeurig handelen: kan zich toornig of genadig tonen, kan ingrijpen of zich terugtrekken en heeft sowieso alle -ook nare- eigenschappen van de mens. Wie zo’n God dient, leeft altijd in een mengsel van hoop en vrees, in angst. Spinoza wil juist dat we vrij worden van zowel angst als illusie. Zijn God straft niet, beloont niet, kiest niet. De werkelijkheid is geen spelbord van een boven alles verheven heerser, maar een open systeem van samenhang en oorzaak.
Dat waarin we ons thuis kunnen voelen. Want als God en de Natuur één zijn, dan draagt alles dezelfde grondtoon; ook wij. Spinoza’s God is geen kinderachtige heerser die we continu moeten behagen, maar een totaliteit waarin we al altijd ingebed zijn. Begrip wordt in dit licht een beweging van de geest die haar plek in het geheel ontdekt. Het is niet de gehoorzaamheid van de onderdaan, maar van een gelijkwaardige, die ziet hoe alles samenhangt.
Juist daarin ontstaat een nieuwe vorm van devotie, al zou Spinoza dat woord wellicht vermijden. Het is de devotie van inzicht: de stille vreugde die ontstaat wanneer we niet langer worstelen tegen wat is, maar het in zijn noodzakelijkheid doorzien. De mens wordt niet klein onder een almachtige God, maar wordt wijzer door te begrijpen dat hij een uitdrukking is van iets dat groter is dan zijn eigen zorgen en verlangens, en tegelijk intiemer dan welk gebod ook.
Waar de Bijbelse God de stammen moest verenigen tot een volk, nodigt Spinoza’s God de mens uit om zichzelf te verenigen met de werkelijkheid. Deze God vraagt geen onderdanigheid, geen knielen, maar kijken; geen overgave uit angst, maar sereniteit uit begrip. Zo ontstaat een spiritualiteit die niet gebouwd is op geboden van bovenaf, maar op inzicht van binnenuit.
In die verschuiving, van absoluut vorst naar kosmos, van gebod naar noodzakelijkheid, van vrees naar helderheid, ligt Spinoza’s radicale bijdrage. En precies daardoor opent hij een weg van vrijheid: een vrijheid die niet betekent dat alles kan, maar dat alles begrepen kan worden. Een vrijheid die de mens niet boven de natuur zet, maar hem laat zien dat hij er onlosmakelijk deel van is.
Spinoza kreeg al jong intensief onderwijs in Hebreeuws binnen de Portugees-Joodse gemeenschap van Amsterdam. Hij kon de tekst in het origineel lezen, inclusief grammatica, stijlfiguren en semitische taalstructuren. Minder bekend, maar Spinoza werkte aan een Compendium grammatices linguae hebraeae (een Hebreeuwse grammatica). Dat zegt veel over zijn beheersing én zijn wetenschappelijke ambities.