De Kring rond Spinoza
Spinoza werd omringd door een diverse groep van intellectuelen en vrienden die zijn filosofische reis ondersteunden en beïnvloedden.
Van rijke mecenassen tot radicale denkers. Elk van hen speelde een cruciale rol in het leven van Spinoza, waardoor hij zijn ideeën kon ontwikkelen en delen met de wereld.
Kring van vrienden
In de vroege mentorfase speelde Van den Enden een cruciale rol in de vorming van Spinoza’s intellect, taalvaardigheid en kritisch denken. Deze basis stelde Spinoza in staat om zijn ideeën verder te ontwikkelen. In Amsterdam vond hij een volwassen intellectuele kring die hem zowel financieel als praktisch ondersteunde. Figuren als Jelles, De Vries en Hudde boden niet alleen steun, maar ook bescherming. Intellectuele uitwisseling met denkers als Meyer, Koerbagh en Oldenburg zorgde voor een vruchtbare omgeving waarin Spinoza zijn radicale ideeën kon ontwikkelen, schrijven en publiceren. Deze kring van vrienden en intellectuelen maakte het mogelijk dat Spinoza zijn werk kon voortzetten. Hun steun en samenwerking waren essentieel voor de verspreiding van zijn filosofische ideeën, die tot op de dag van vandaag relevant zijn.
Toen Baruch Spinoza in 1656 uit de Joodse gemeenschap van Amsterdam werd verbannen, leek hij op het eerste gezicht een eenzame figuur te worden. Maar juist in die jaren vormde zich een kleine kring van intimi, vrienden en vertrouwelingen die hem niet alleen geestelijk, maar vaak ook praktisch steunden. Zij waren de stille getuigen en dragers van een van de meest radicale filosofieën van de zeventiende eeuw. Een van de eersten was Frans van den Enden, een voormalige jezuïet die in Amsterdam een Latijnse school leidde. Spinoza kreeg er onderwijs in Latijn en klassieke literatuur, maar ook onderricht in vrije, politieke en filosofische ideeën. Van den Enden was republikeins gezind, pleitte voor democratie en onderwijs voor allen. Hij introduceerde Spinoza in een wereld buiten de gesloten Joodse gemeenschap. Zijn dochter Clara Maria van den Enden gold als een scherpzinnige en begaafde jonge vrouw; er wordt wel gespeculeerd dat Spinoza gevoelens voor haar had. Wat wel vaststaat, is dat de vader en dochter hem hebben gevormd in zijn intellectuele en persoonlijke ontwikkeling.
Daarnaast waren er vrienden uit de kring van de Collegianten, vrijzinnige gelovigen die zonder vaste leer samenkwamen en veel ruimte lieten voor eigen denken. Pieter Balling, een doopsgezind koopman en dichter, was één van hen. Hij correspondeerde met Spinoza en vroeg hem zelfs om uitleg toen zijn zoon op sterven lag. In een beroemde brief troostte Spinoza hem met het idee dat de menselijke geest deel uitmaakt van de eeuwige orde der Natuur.
Een andere vertrouweling was Lodewijk Meyer, arts, toneelschrijver en filosoof. Hij behoorde tot de zogeheten ‘Spinozisten’ avant la lettre en hielp Spinoza bij het publiceren van de Renati Des Cartes Principia Philosophiae (1663-, waarin Spinoza Descartes’ filosofie systematisch uiteenzette. Meyer deelde Spinoza’s overtuiging dat kennis en rede centraal moesten staan en speelde een belangrijke rol bij de verspreiding van dat gedachtegoed. Ook Simon de Vries, een rijke Amsterdammer, was een dierbare vriend. Hij liet Spinoza zelfs opnemen in zijn testament en wilde hem een aanzienlijk vermogen nalaten. Spinoza, die sober leefde en onafhankelijk wilde blijven, wees dit af en nam alleen een klein jaargeld aan.
Niet te vergeten, Jarig Jelles een koopman en dichter die na Spinoza’s dood een sleutelrol speelde bij de uitgave van diens Nagelate Schriften -Opera Posthuma, 1677-. Samen met anderen uit de kring zorgde hij ervoor dat de Ethica en andere werken niet verloren gingen. En dan is er natuurlijk Johannes Koerbagh, de arts en jurist die nog radicaler was dan Spinoza zelf. Koerbagh koos ervoor zijn kritiek in de Nederlandse volkstaal te publiceren en werd daarvoor zwaar gestraft. Zijn lot maakte duidelijk hoe gevaarlijk het was om de gevestigde orde frontaal uit te dagen, en het verklaart wellicht Spinoza’s grotere voorzichtigheid.
Koerbagh deelde met Spinoza de overtuiging dat religieuze dogma’s onderworpen moesten worden aan kritisch, rationeel onderzoek. Maar waar Spinoza zijn filosofie in het Latijn opschreef en zijn ideeën voor een kring van geleerden bestemd hield, koos Koerbagh juist voor de volkstaal. Hij wilde de gewone lezer bereiken, zodat ook niet-geleerden zich konden bevrijden van de macht van bijgeloof en priesterdwang. Dat maakte zijn werk tegelijk krachtig en levensgevaarlijk.
In 1668 verscheen zijn ‘Bloemhof van allerley lieflijkheyd’, een woordenboek waarin hij buitenlandse woorden verklaarde. Achter ogenschijnlijk neutrale definities verborg hij radicale kritiek: theologische begrippen werden teruggebracht tot menselijke bedenksels, en religieuze autoriteit werd ondergraven.
Datzelfde jaar schreef hij ook ‘Een Ligt schijnende in duystere plaatsen’, een veel omvangrijker werk dat Bijbelse termen verklaarde en steeds weer de rede als toetssteen nam. Hierin stelde hij dat de Schrift vaak verkeerd begrepen werd en dat wonderen geen bovennatuurlijke verschijnselen waren, maar natuurlijke gebeurtenissen die mensen niet konden verklaren.
De autoriteiten reageerden furieus. Terwijl Spinoza voorzichtig bleef en zijn Ethica nog tijdens zijn leven ongepubliceerd hield, ging Koerbagh regelrecht het gevecht aan. Hij werd gearresteerd, veroordeeld wegens godslastering en kreeg een zware straf: een hoge boete, herroeping van zijn werken en tien jaar opsluiting in het Rasphuis. De omstandigheden waren erbarmelijk; hij werd ziek en overleed in 1672, nog geen veertig jaar oud.
Zijn dood maakte diepe indruk. Koerbagh gold sindsdien als een martelaar van de vrije gedachte, iemand die zijn leven had gegeven voor de overtuiging dat kennis en rede boven dogma en autoriteit moeten staan. Waar Spinoza bekend werd als de bedachtzame systeemdenker die zijn filosofie in een wiskundige structuur goot, belichaamde Koerbagh de radicale, volkstaalgerichte stem van dezelfde beweging. Samen laten ze zien hoe divers en hoe moedig de vroege Verlichting in Nederland was.
Johannes Koerbagh werd in 1634 in Amsterdam geboren als zoon van een welgestelde koopman. Hij studeerde rechten en medicijnen en groeide uit tot een zeer belezen, scherpzinnig man die zich, net als zijn jongere broer Adriaan, aangetrokken voelde tot de vrijzinnige kringen van de Collegianten. In deze religieuze groepering, die samenkwam zonder predikanten en veel ruimte liet voor eigen interpretatie van de Bijbel, vond hij een voedingsbodem voor zijn kritische geest. Via dit netwerk kwam hij ook in aanraking met Baruch Spinoza, met wie hij vriendschappelijke en intellectuele banden onderhield.
Kring van beïnvloeders
Spinoza’s denken is een indrukwekkend bouwwerk dat rust op verschillende pijlers, die hij uiteindelijk tot één consistent geheel smeedt: een rationele leer over God ofwel Natuur.
Van de Stoïcijnen nam hij het inzicht over dat vrijheid niet betekent dat je kunt doen wat je wilt, maar dat je leert inzien wat noodzakelijk is. Wie begrijpt dat alles volgens natuurwetten verloopt, wordt niet meer meegesleurd door passies. Deze innerlijke rust, die de Stoa apatheia noemde, is bij Spinoza de vreugde die voortkomt uit het begrijpen van de werkelijkheid.
Van Descartes leerde hij de methode. De Ethica is opgebouwd als een meetkundig bewijs: met definities, axioma’s en stellingen. Maar inhoudelijk keerde hij zich tegen Descartes’ scheiding tussen lichaam en geest. Voor Spinoza zijn denken en uitgebreidheid slechts twee manieren om één en dezelfde werkelijkheid te begrijpen. Er is niet een wereld van stof én een wereld van geest, maar één substantie: God ofwel Natuur –Deus sive Natura-.
Zijn joodse achtergrond en de invloed van Maimonides boden hem een intellectuele brug tussen geloof en rede. Maimonides duidde de Bijbel symbolisch en probeerde God te verklaren als de noodzakelijke oorzaak van alles. Spinoza zette die lijn door, maar trok de conclusie die voor zijn gemeenschap veel te ver ging: God is geen persoonlijk wezen dat de wereld bestuurt, maar de wereld zelf.
Via de scholastiek en Aristoteles kende Spinoza de metafysische traditie van substantie, oorzaak en vorm. Hij nam de logische strengheid over, maar verwierp het teleologische denken, namelijk dat dingen een doel buiten zichzelf hebben. In zijn visie bestaat er slechts één oorzaak die alles in zich draagt: de Natuur zelf als eeuwige orde.
Naast deze rationele pijlers klinken ook mystieke tonen door. In het Neoplatonisme en bij Meister Eckhart vond Spinoza verwante gedachten: de ziel die haar ego loslaat om zich te verenigen met het Ene. Toch is zijn mystiek zonder mysterie, niet gebaseerd op geloof of openbaring, maar op inzicht. Zelftranscendentie is bij hem geen extase, maar kennis: het doorzien van de noodzakelijkheid van alles.
Ten slotte ademt zijn werk de geest van de natuurwetenschap. Onder invloed van Galilei en Hobbes zag hij dat de natuur geen uitzonderingen kent. Er zijn geen wonderen, geen willekeurige ingrepen van bovenaf. Er is alleen wetmatigheid. Het begrijpen van die orde is de ware vorm van bevrijding.
Zo vloeien al deze invloeden samen in Spinoza’s eigen visie: één werkelijkheid, volledig rationeel, waarin de mens slechts vrij wordt door te begrijpen dat hij ook een deel is van het geheel. Wat bij anderen naast elkaar stond -rede en geloof, natuur en God, mens en wereld- brengt hij samen tot één ononderbroken orde van zijn. Dat is de kern van zijn filosofie.
Kring van bewonderaars -een greep uit-
Sinds de zeventiende eeuw oefent Baruch de Spinoza een grote aantrekkingskracht uit. Wie zich afgevraagt wat het betekent om in -een zekere- harmonie te leven met de werkelijkheid, stuit vroeg of laat op Spinoza.
Het was vooral Goethe die die zich dat afvroeg. Hij zag in Spinoza geen kille rationalist, maar iemand die de wereld bezag zonder angst of oordeel. Goethe vond in Spinoza’s ‘Deus sive Natura’ de bevestiging van zijn eigen levensgevoel: dat het ‘goddelijke’ niet boven de wereld staat, maar in zichbergt. Ook Lessing en Novalis bewonderden die visie; zij zagen in Spinoza de dichter onder de filosofen, de denker van een bezield universum.
Schopenhauer bewonderde Spinoza’s morele zuiverheid, zijn vermogen om het leven te zien vanuit de eeuwigheid, ‘sub specie aeternitatis’. Nietzsche zou die tegenstelling weer kantelen. In Spinoza ontdekte hij een geestverwant: iemand die de traditionele moraal had overwonnen en het leven bevestigde zoals het is. ‘Ik heb een voorvader gevonden’, schreef Nietzsche. ‘Wij zijn beiden zonder god, zonder moraal, maar vol van liefde tot de noodzakelijkheid.’
Voor Hegel was Spinoza het begin van alle wijsbegeerte: ‘wie geen Spinozist is, is geen filosoof’. Hij herkende in Spinoza’s idee van één substantie de noodzakelijke grondslag voor elk denken over de werkelijkheid. Waar Goethe Spinoza ervoer als een bron van rust, zag Hegel in hem de oervorm van denken zelf.
In de twintigste eeuw kreeg Spinoza bewondering van Einstein, die sprak over ‘Spinoza’s God, die zich openbaart in de harmonische orde van wat bestaat’. Voor hem was Spinoza geen theoloog, maar een meditatieve natuurkundige avant la lettre: iemand die in de wiskundige orde van het heelal een glimp zag van eeuwigheid. Tot Bertrand Russell en Henri Bergson, die Spinoza’s prezen om zijn poging om rede en intuïtie te verzoenen, en voor zijn werk: de logische samenhang van alles wat is.
Bij Hannah Arendt krijgt Spinoza een meer persoonlijke gestalte. Voor haar, als joodse denker die ballingschap en geweld kende, was Spinoza de belichaming van geestelijke vrijheid. Ze noemde hem haar ‘verborgen metgezel’: een voorbeeld van hoe men tegelijk kritisch, onafhankelijk en diep verbonden kan zijn met de wereld. Ook Gilles Deleuze herontdekte Spinoza in de twintigste eeuw. Voor hem was Spinoza de filosoof van immanentie, van kracht en vreugde. Niet de denker van een kille orde, maar van het volle leven zelf: van het vermogen om te handelen en te groeien.
Tegen die achtergrond krijgt Etty Hillesum een bijzondere plaats. In haar dagboeken uit de oorlogsjaren klinkt Spinoza’s geest bijna letterlijk door. Ze leest hem in het kamp, en schrijft over ‘de zuiverheid en helderheid’ die hij haar schenkt. In het aangezicht van vernietiging vond zij kracht in Spinoza’s leer. Bij haar is Spinoza niet de filosoof van de rede, maar van de overgave.
En ook buiten het Westen blijft zijn gedachte leven. In Japan schreef Seiichi Hatano al in 1904 een studie over Spinoza; later zag de zenfilosoof Masao Abe in Spinoza’s idee van ‘Deus sive Natura’ een parallel met de boeddhistische ‘Boeddhanatuur’. Beide drukken de eenheid van al het bestaande uit, zonder beroep op een schepper buiten de wereld.
Ook in China en India ontstond belangstelling. Denkers als Hu Shih en Zhang Junmai lazen Spinoza en zien hem als symbool van moderniteit en rede; Indiase onderzoekers vonden in zijn Monisme verwantschap met de leer van Advaita Vedānta, waarin alles terugkeert tot één ondeelbare werkelijkheid.
Zo loopt er van Amsterdam tot Kyoto, van Goethe tot Etty Hillesum, een lijn van mensen die de overtuiging delen dat vrede niet ligt in het ontkennen van de wereld, maar in het begrijpen ervan. Wat hen allen verbindt, is niet een systeem of een dogma, maar een houding: helderheid, onafhankelijkheid, en het vermogen om de wereld te aanvaarden zoals zij is; niet uit berusting, maar uit inzicht. En zo blijft Spinoza, drieënhalve eeuw na zijn dood, wat hij altijd al was: een leraar van innerlijke vrijheid, die in uiteenlopende tijden en culturen dezelfde snaar raakt, namelijk het besef dat we, hoe verschillend ook, allemaal uit één en dezelfde substantie voortkomen en delen.