De kern voor mij
Voor mij is geloof een stelsel, een systeem. Met een god, een heilig boek, met dogma’s, met rituelen, met geboden, met verboden, met straffen en uiteindelijk de ultieme beloning van de hemel. Je bent per definitie een ‘wezen in zonde’, dat moet bewijzen dat je die hemel verdient. Wie goed leeft en wie zijn god eert en goed stemt wordt beloond met een plek in die hemel.
Het geeft veel mensen richting en structuur en dat is goed zolang het niet dogmatisch is. Want dogmatisme bergt het gif van extremisme in zich.
Tao, en ook wat ik in Ekhart herken, is geen geloof dat je moet volgen, maar een ervaring. Iets wat je overkomt, wat je toelaat. Het is iets wat je voelt, niet iets wat je direct begrijpt, in die zin dat je het ook haarfijn uit kunt leggen. Het is een ‘beweging’ van binnenuit, waarin, doorvoelen, doorleven en begrijpen zonder direct te oordelen centraal staan. Spinoza was overigens niet religieus.
Om voor mezelf de kern samen te vatten leek me eenvoudig, en toch glipt die telkens weg zodra ik dat in woorden probeer te vangen. Die kern was en is er altijd al geweest, maar intuïtief. Ik heb er heel lang naar gezocht, alsof ik steeds opnieuw moest verdwalen om uiteindelijk te vinden, te begrijpen dat ik al die tijd al had wat ik zocht.
Iedereen zou de vraag aan mij kunnen stellen: wat is dat gevoel dan precies? Terecht, maar tegelijk een vraag die nauwelijks tot niet te beantwoorden is. Probeer voor jezelf maar eens een gevoel in woorden te vatten, je verzandt al snel in vaagheden en algemeenheden. Of je verstrikt jezelf in definities die de ervaring op zich tekortdoen. En toch voel ik de drang om er woorden aan te geven.
Ik ben opgegroeid in een protestants dorp. Mijn moeder, ouderling in de kerk was diep gelovig, maar tegelijk ongewoon vrijmoedig. Zij koos al vroeg voor de richting van de PKN; alle kerken onder één dak. Ik zie nu pas dat zij haar religiositeit leefde zonder te verzanden in de eindeloze muggenzifterij, in dogma’s en dwingende kerkelijke regels. Voor mij was dat laatste de reden dat ik rond m’n zeventiende afscheid nam van ‘de kerk’; voor zover je op die leeftijd zo’n besluit bewust kunt nemen, voelde het voor mij als een logische stap.
Het woord ‘God’ was me te zwaar beladen. Ik ergerde me aan de voortdurende voorstelling van een persoonlijke God die zich met ieder detail van mijn leven bemoeit en zou blijven bemoeien. Tijdens een bijeenkomst van de jongerenvereniging vroeg ik de dominee, half spottend, of hij net koffie had gedronken met God, omdat hij zo precies wist wat God wilde. Het leverde me niet alleen scheve blikken op, maar ook een feitelijke uitsluiting: ik was niet langer welkom. Mijn ouders reageerden gemengd. Mijn moeder nam het luchtig op; komt wel goed was haar stille overtuiging, zoals ik pas veel later hoorde.
Maar bloed kruipt waar het niet gaan kan. Ik vond herkenning in de teksten van Laozi. Ik kocht o.a. de Daodejing -de Tao, het pad- en voelde magie in woorden en teksten die mij zonder enige uitleg aanspraken. Geen bemoeizuchtige god, geen exegese, geen dogma’s, maar eenvoudige wijsheid. Dat pad kruiste al snel dat van Boeddha, die het lijden -dukkha- verbond aan onze gehechtheid. Ook dat was voor mij welkom: geen almachtige instanties meer, alleen ikzelf kon me losmaken. Het verhaal dat Laozi naar India trok en daar de Boeddha werd, is historisch gezien dubieus, maar symbolisch uiterst veelzeggend. In mijn beleving zijn Taoïsme en Boeddhisme elkaars echo’s.
Later bracht het ‘toeval’ me via vrienden bij Advaita, een hindoeïstische traditie die de eenheid van alles benadrukt. En bij Jung, die met zijn idee van het collectieve onbewuste mij verder op weg hielp.
Toch bleef ik, ondanks al die rijkdom uit het oosten, een kind van het westen. Via onder meer Schopenhauer, die zeer geïnteresseerd was in Oosterse filosofie en ook nog eens heel leesbaar is -zonder esoterische gemakzucht-, kwam ik weer terug bij mijn eigen culturele wortels. Filosofiecursussen aan het ‘Instituut voor Filosofie’ gaven me structuur, al viel me daar ook de keerzijde op:
zoveel mannen die stelligheden uitdroegen, mijnsinziens te overtuigd van hun eigen gelijk. Precies dat is wat mij altijd doet huiveren: mensen die leven met stelligheden, met dogma’s, met algemeenheden, met verlossers, of met het aanwijzen van zondebokken als oplossing voor al hun problemen. Maak daar een combinatie van en je hebt een explosief mengsel op twee benen. Populisten, die alleen drijven op hun gedram richting zondebokken, maken de zaken groter dan ze zijn en daarmee alleen maar erger; veel erger.
Wat ik miste, was spiritualiteit. En zo vond ik Spinoza, en iets later Meister Eckhart. Spinoza leerde ik kennen door eerst om hem heen te lezen. Zijn Ethica heeft de reputatie moeilijk te zijn, maar hoe meer ik las en lees, hoe meer mijn bewondering groeide en groeit. Niet dat Spinoza boven kritiek verheven is, maar zijn durf om God niet langer buiten de wereld te plaatsen -transcendent-, maar ín de wereld -immanent-, was revolutionair en tevens levensgevaarlijk voor hem. In zijn Korte Verhandeling heeft God nog transcendente trekken, maar in de Ethica wordt God volledig immanent: God en Natuur vallen samen, dualiteit verdwijnt. De Ethica verscheen dan ook na zijn dood.
Spinoza bouwde zijn filosofie op als een wiskundige: met definities, axioma’s en stellingen. Helder en controleerbaar. Dat maakt zijn werk zowel transparant als weerlegbaar, maar ook veeleisend. Voorbereiding is nodig en daarvoor is de Korte Verhandeling een uitstekende start, een soort blauwdruk voor de Ethica.
Na en naast Spinoza kwam Eckhart op mijn pad. Zijn teksten zijn poëtisch proza, waarin hij alleen zijn kerktaal ter beschikking had om grenzen te doorbreken. Je moet er zoals Nietzsche zegt een beetje gek voor zijn om zijn tractaten en preken te lezen. Maar ik haal er pareltjes uit. Eckhart had niets met uiterlijkheden, zoals misbezoek, biecht, aflaat, heiligenverering
Voor hem waren dat bijzaken. Hij benadrukte dat wie werkelijk wil geloven, God juist eerst volledig moet loslaten. Alleen door alles af te werpen, kom je tot de kern. Waar de kerk sprak en spreekt van een machtige, transcendente God, onderwees Eckhart dat het goddelijke juist in jezelf besloten ligt. Hij werd na zijn dood door de kerk tot ketter verklaard; een tragisch afscheid voor een hele intelligente, bevlogen man met een tijdloze boodschap.
Waar in de wetenschap definiëren, analyseren, inventariseren en ordenen de kern vormt en ramen opent, is dat in de spiritualiteit een doodlopende weg. Het dwangmatig denken in categorieën is daar verstikkend. Je moet het culturele corset afwerpen, zodat je weer vrij adem kunt halen; op zichzelf al een cruciale oefening. Pas dan kun je je openstellen voor datgene wat zich niet laat benoemen, zich niet laat vastleggen, zich niet laat dwingen. Het is het gevoel dat je één bent met het geheel. En dat voel je haarfijn aan, omdat je het intuïtief herkent. Zo vond ik uiteindelijk de beredeneerde God -oftewel Natuur- van Spinoza en later de gevoelsmatige, mystieke God van Eckhart, die samenvalt met jezelf. Het bleken verschillende ingangen te zijn naar hetzelfde … en zij hebben mij bevrijd van het voor mij beladen Joods-Christelijke godsbeeld wat ik nog altijd als een schaduw bij me droeg.
Lees ‘liefde voor God’ als: verbondenheid met het -groter- geheel. Je kunt het zien als een gevoel van verwantschap met alles wat bestaat in de Natuur, met andere mensen en met het universum zelf. Dit sluit aan bij hoe veel mensen vandaag de dag spiritualiteit ervaren, zonder noodzakelijk religieus te zijn.
‘Wetenschap streeft naar objectiviteit; naar een algemeen gezichtspunt waar we het over eens kunnen zijn. We moeten echter niet uit het oog verliezen dat er veel verloren gaat als we voorbijgaan aan het gezichtspunt van de waarnemer. In het verlangen naar objectiviteit mag de wetenschap niet vergeten dat we de wereld van binnenuit ervaren. Elke keer dat we naar de wereld kijken, gebeurt dat vanuit een specifiek perspectief.’ – Carlo Rovelli
Innerlijke vrijheid begint niet met heel veel lezen over dit onderwerp, maar met één essentiële stap: beseffen dat je ego je vaak in de weg zit. Alleen al dat inzicht is de eerste grote bevrijding. De rest volgt vanzelf. Wordt vervolgd.
Sven van Ee
Als je de vragen leeft, leef je misschien, langzaam maar zeker, zonder het te merken op een goede dag in het antwoord. – Rilke
Toevoeging: bewustzijn
Hoe ervaren we ons leven, en wat verandert er als we daar anders naar leren kijken. Het gaat dan niet om zekerheid, maar om begrip.
Alles wat we meemaken, gebeurt altijd NU. Herinneringen aan gisteren en gedachten over morgen verschijnen alleen als ervaringen in dit moment. Hoe tijd ook in de natuurkunde wordt beschreven, ons leven wordt altijd ervaren vanuit dit ene punt: het hier en nu.
Als je hier naar kijkt, zie je nog iets opmerkelijks. Alles in je leven verandert: je lichaam, gedachten, emoties … omgeving. Toch is er één ding dat telkens weer terugkeert: het simpele feit dát er ervaring is. Je herkent het meteen -het gevoel ‘ik ben me bewust’- ook al zijn de inhoud en de omstandigheden steeds anders. Het betekent dat bewustzijn steeds opnieuw verschijnt als dezelfde ruimte -dimensie?- waarin ervaringen plaatsvinden.
Daarom is bewustzijn lastig te beschrijven. Alles wat we kunnen aanwijzen -gedachten, gevoelens, beelden, herinneringen- verschijnt ín het bewustzijn. Maar dat bewustzijn zelf laat zich niet als een object beschrijven. Het is niet iets wat je hébt, maar iets wat gebeurt: waarin je leven zich afspeelt.
Wetenschap helpt ons enorm om de wereld te begrijpen, maar hier is een grens. Natuurkunde kan beschrijven hoe tijd en materie werken, maar niet waarom er überhaupt ervaring is. Er is een groot verschil tussen uitleggen hoe iets werkt .. en begrijpen hoe het voelt om er te zijn.
Spinoza maakte dit verschil al. Hij zag ons leven op twee manieren. Aan de ene kant zijn we tijdelijke wezens: geboren, kwetsbaar en sterfelijk. Aan de andere kant kunnen we datzelfde leven bekijken vanuit een ruimer perspectief, waarin alles deel uitmaakt van één samenhangend geheel. Dat betekent niet dat wij persoonlijk na de dood verder leven, of dat onze herinneringen blijven bestaan. Het betekent wel dat ons bestaan niet losstaat van het geheel waarin het allemaal plaatsvindt.
In veel spirituele tradities wordt iets dergelijks beschreven. Mensen hebben wereldwijd ervaringen -gehad- waarin het gevoel van een afgescheiden ‘ik’ even naar de achtergrond verdwijnt. Op zulke momenten voelt het leven minder bedreigend, minder krampachtig. Niet omdat problemen verdwijnen, maar omdat ze niet meer overheersend zijn.
Spinoza noemde het verschil tussen gewone blijdschap en wat hij gelukzaligheid noemde. Blijdschap ontstaat als iets lukt, als je krijgt wat je wilt. Maar die verdwijnt ook weer. Gelukzaligheid is geen voortdurend geluk en het betekent niet dat je nooit meer verdriet hebt, maar het is eerder een rustige tevredenheid die ontstaat wanneer je het leven ziet zoals het is, zonder te vechten tegen vergankelijkheid.
Vanuit zo’n houding verandert ook je omgang met verlangens. Je hoeft minder te grijpen, minder zeker te stellen, minder te bewijzen. Dat maakt je niet automatisch een beter mens en het lost de problemen van de wereld niet op, maar het kan wel ruimte geven: ruimte om minder vanuit angst te leven en zorgvuldiger om te gaan met anderen en met de wereld om je heen.
De kern is dus niet dat je onsterfelijk bent in letterlijke zin. Het is dat de angst voor verdwijnen kleiner kan worden wanneer je jezelf niet alleen ziet als dit lichaam, dit verhaal, deze gedachten … Wanneer je merkt dat er in elk moment een stille aanwezigheid is waarin alles verschijnt, hoeft het leven minder krampachtig te zijn, minder vastgehouden te worden.
Dat inzicht geeft geen ontsnapping uit het leven, maar is en andere manier om in het leven te staan: met minder angst, meer gemoedsrust en meer aandacht voor wat er NU is.
Toevoeging: God
De God van de Bijbel is een absolute heerser die heel ver boven de wereld verheven is, wetten uitvaardigt, vaak ingrijpt, maar ook beschermt en straft. In het oude Israël had deze voorstelling een duidelijke functie. Een verzameling stammen, elk met eigen belangen en vetes, moest worden samengebracht tot één gemeenschap. Een allerhoogste autoriteit, almachtig, alwetend en onzichtbaar verheven werd het bindmiddel. God sprak, beval en leidde zijn (sic) volk zoals een heerser zijn onderdanen. Aan de wetten werd niet getornd, die waren heilig; men gehoorzaamde omdat de Wetgever (en aanklager en rechter) absoluut en heilig was.
Spinoza draait dit beeld radicaal om. God is niet langer een absolute heerser -met menselijke eigenschappen-, maar de oneindige werkelijkheid zelf. Datgene waardoor alles is … wat het is. Spinoza’s God spreekt niet in woorden maar in structuren; niet in geboden maar in noodzakelijkheid. Alles wat gebeurt, volgt uit de aard van de Natuur.
Deze verschuiving is wezenlijk. Een absolute heerser kan naar willekeur handelen. Wie zo’n God dient, leeft continu tussen hoop en veel vrees. Spinoza wil juist dat we vrij worden van zowel angst als illusies. Zijn God/Natuur is één bestaat en bestaat uit oorzaak en gevolg.
Spinoza’s God is geen persoon die we continu moeten behagen, maar een totaliteit waarin we al altijd ingebed zijn. Begrip wordt in dit licht iets spiritueels: een beweging van de geest die haar plek in het geheel ontdekt. Het is niet de vreesachtige gehoorzaamheid van de onderdaan, maar de helderheid van een modus die ineens ziet hoe alles samenhangt.
Juist daarin ontstaat de stille vreugde … wanneer we niet langer worstelen tegen wat er is, maar het in de noodzakelijkheid doorzien. De mens wordt niet heel klein onder een almachtige, maar wijzer door te begrijpen dat hij een uitdrukking is van iets dat immens veel groter is dan zijn eigen zorgen en verlangens, en tegelijk intiemer dan wat dan ook.
Waar de Bijbelse God de stammen moest verenigen tot een volk, nodigt Spinoza’s God de mens uit om zichzelf te verenigen met de werkelijkheid. Deze God vraagt geen offers, geen overgave uit angst, maar alleen het gebruik van je verstand.