De Ethica - Deel I
Spinoza begint zijn Ethica met een ongewone ambitie: hij wil de hele werkelijkheid begrijpen alsof het een helder wiskundig bewijs is. Niet om de wereld droog te maken, maar om haar zo te tonen dat niemand er meer omheen kan. Daarom begint hij met een reeks basisbegrippen. Pas als die stevig staan, kun je het bouwwerk volgen.
Hij zegt: kijk eerst goed naar wat dingen zijn. Sommige dingen bestaan uit zichzelf; bij andere heb je iets anders nodig om te begrijpen dat ze bestaan. Een mens bijvoorbeeld wordt begrensd door andere mensen, gedachten door andere gedachten. Maar als je helemaal teruggaat, als je steeds verder vraagt naar oorzaken, moet er uiteindelijk iets zijn wat zichzelf draagt en niet afhankelijk is van iets anders.
Dat noemt hij een substantie: iets dat volledig op zichzelf staat en dat je zonder verwijzing naar iets anders kunt begrijpen.
Wat wij dagelijks zien -tafels, stenen, lichamen, gedachten- dat zijn modi: verschijningsvormen of toestanden van die ene uiteindelijke werkelijkheid. Zoals golven op de zee: verschillend van vorm, maar nooit los van het water.
Een substantie drukt zich uit via attributen: wezenlijke manieren waarop ze kan worden begrepen. Voor mensen zijn dat vooral Denken (de wereld begrepen als geest) en Uitgebreidheid (de wereld begrepen als lichaam). Maar Spinoza houdt de deur open: de werkelijkheid bezit een oneindige rijkdom aan manieren om te bestaan; wij kennen er slechts twee.
Hij stelt vervolgens een aantal eenvoudige, bijna vanzelfsprekende axioma’s op: dat alles een oorzaak heeft, dat dingen die niets gemeen hebben elkaar niet kunnen beïnvloeden, dat een gevolg altijd uit zijn oorzaak volgt. Die uitgangspunten gebruikt hij om één grote gedachte te ontvouwen.
Eén substantie onder alles
Spinoza redeneert dat twee substanties met hetzelfde wezen niet kunnen bestaan — want dan zouden ze elkaar begrenzen, en iets dat begrensd wordt is per definitie geen substantie. Daarom kan er van één attribuut maar één substantie zijn. En omdat de werkelijkheid nu eenmaal noodzakelijk bestaat, moet er een oneindige, onbegrensde substantie zijn die alle mogelijke attributen draagt. Dat noemt Spinoza God. Niet de God van verhalen, niet een heerser die bevelen geeft, maar de ene realiteit die uit zichzelf bestaat en waaruit alles noodzakelijk voortvloeit. Hij gebruikt daarvoor zijn beroemde formule: God óf Natuur -Deus sive Natura-. Niet om God tot natuur te reduceren, maar om duidelijk te maken dat natuur en goddelijkheid dezelfde werkelijkheid zijn gezien vanuit verschillende perspectieven.
Alles wat is, is in God
Als er maar één substantie is, dan kunnen er geen andere onafhankelijke dingen bestaan. Alles wat jij ervaart — je lichaam, je gedachten, sterren, pijnen, verlangens — zijn modi van die ene substantie: uitdrukkingen van de natuur zelf. Zoals een golf zich niet van de zee kan losmaken, zo kan geen enkel ding losstaan van God/Natuur. Jij bent geen object naast God; je bént een manier waarop God/Natuur zich op dit moment vormt. Omdat alles in God is, en vanuit zijn natuur voortkomt, kan niets toevallig gebeuren. Alles volgt noodzakelijk uit zijn wezen. Vrijheid betekent voor Spinoza niet dat je willekeurig kiest, maar dat je uit je eigen natuur handelt. En precies dát doet God/Natuur: uit zichzelf voortkomen, zonder afhankelijkheid van iets buiten hem. Dat maakt God/Natuur tot de enige werkelijk vrije oorzaak. lles andere — jij, ik, een steen — wordt door talloze oorzaken bepaald.
Geen wil, geen plan, geen doel
Veel mensen stellen zich een God voor met een wil, een plan, een bedoeling. Voor Spinoza is dat een misverstand dat ontstaat omdat wij onze eigen menselijke doelen projecteren op de wereld. Wij gebruiken dingen graag om iets te bereiken, dus denken we dat de natuur ook zo werkt. Maar de natuur streeft niets na; zij is eenvoudig wat zij is. Daarom zegt Spinoza dat teleologie -denken dat iets ergens voor is- een menselijke fantasie is. De natuur kent geen doelen, alleen noodzakelijke gevolgen. God handelt dus niet om iets te bereiken, niet omdat hij iets wil, niet uit goedheid of boosheid. Alles vloeit gewoon voort uit de oneindige aard van de werkelijkheid zelf.
Geest en lichaam: twee manieren van zien
In de laatste stellingen van Deel I maakt Spinoza een cruciale stap: lichaam en geest zijn geen twee gescheiden werelden. Ze zijn twee perspectieven op hetzelfde gebeuren. Onder het attribuut Uitgebreidheid verschijnt een lichaam. Onder het attribuut Denken verschijnt de geest die precies dat lichaam denkt. Eén en hetzelfde ding, gezien op twee manieren. aarom zijn je gedachten geen onafhankelijk zwevende entiteiten, en je lichaam geen machine die door je geest wordt bestuurd. Ze zijn één en dezelfde modus, bekeken onder twee verschillende aspecten van de ene substantie. Hieruit volgt ook dat de menselijke wil geen autonome kracht is. Je “wil” is niets anders dan een idee, en ideeën volgen de noodzakelijke orde van Denken.
De wereld zoals zij is
Het Oude Testament heeft volgens Spinoza een staatkundige strekking. De vijf boeken van Mozes werden geschreven om de twaalf onderling verdeelde stammen van Israël samen te smeden tot een staat. Dat God in het Oude Testament wordt voorgesteld als een wetgever of vorst, is een gevolg van deze staatkundige noodzaak.
Spinoza trekt daaruit de conclusie dat God twee betekenissen heeft. De God van het Oude Testament is een onwaar Godsbeeld; 'God oftewel Natuur' is daarentegen de immanente ware God.