BENEDICTUS DE SPINOZA
VERHANDELING OVER DE VERBETERING DES VERSTANDS
(INLEIDENDE BESCHOUWING)
Nadat de ervaring mij geleerd had, dat al wat zoo in het gewone leven voorkomt ijdel en nietig is, en ik inzag dat alles waarvoor en wat ik vreesde niets goeds noch kwaads bevatte, tenzij alleen voor zoover mijn gemoed er door bewogen werd, besloot ik eindelijk te onderzoeken of er ook iets bestond dat een waarachtig goed was, dat men deelachtig zou kunnen worden en waardoor alleen, met verwerping van al het overige, de ziel kon worden vervuld; kortom, of er iets bestond waardoor ik, wanneer ik het gevonden en bereikt had, een gestadige en hoogste blijheid eeuwiglijk zou genieten. Ik zeg dat ik hiertoe "eindelijk besloot"; op het eerste gezicht immers scheen het ongeraden terwille van een vooralsnog onzekere zaak iets zekers te laten varen: zag ik toch de gemakken welke door eer en rijkdom verkregen worden en dat ik genoodzaakt zou zijn van het streven daarnaar af te zien, indien ik ernstig werk wilde maken van iets nieuws. Zoo misschien het hoogste geluk in hèn lag, dan zou ik dit--ik zag dat duidelijk in--moeten missen. Lag het evenwel nìet in hen, zoo zou ik, indien ik toch naar deze zaken streefde, ook dàn het hoogste geluk moeten ontberen. Ik overwoog daarom in mijn gemoed of het wellicht mogelijk zou zijn tot een nieuwe levensinrichting, of althans tot de zekerheid daaromtrent te geraken, zonder den gewonen gang en inrichting van mijn leven te wijzigen; wat ik dikwijls te vergeefs beproefd heb. Want de dingen die zich het meest doen gelden in het leven, en door de menschen, gelijk men uit hun daden kan opmaken, voor het hoogste goed worden gehouden, kunnen tot drie worden terug gebracht, te weten: rijkdom, eer en zingenot. Door deze drie wordt de geest dermate in beslag genomen, dat hij nagenoeg niet meer aan eenig ander goed kan denken. Wat het zingenot betreft, hierin blijft de ziel evenzeer bevangen als hadde zij in iets goeds bevrediging gevonden; waardoor zij grootelijks belemmerd wordt aan iets anders te denken. Na het genot volgt echter de diepste droefenis, welke, ook al houdt zij den geest niet langer gevangen, hem toch verwart en verlamt. Door eer en rijkdom na te jagen wordt de geest niet minder afgeleid, vooral waar deze slechts om hun zelfs wil gezocht worden, wijl dan voorondersteld wordt dat zijzelf hoogste goed zijn. Wel het meest echter wordt de geest uit zijn koers gebracht door de eerzucht; immers eer wordt steeds als op zichzelf goed beschouwd, als een einddoel, waarnaar alles zich richten moet. Voorts bestaat er voor deze beiden niet, gelijk voor het zingenot, een naberouw, doch hoe meer men van beiden bezit, hoe meer de vreugde over hen toeneemt; en bijgevolg worden wij ook telkens meer er toe geprikkeld beide nog te vermeerderen. Wordt echter onze verwachting in een of ander geval bedrogen, zoo ontspringt hieruit alweer de diepste verslagenheid. Ten slotte is de eerzucht ook dáárdoor een groote belemmering, wijl wij, om in eere te komen, noodzakelijk ons leven naar de begrippen der menschen moeten inrichten, namelijk door te mijden of na te streven wat de menschen gemeenlijk mijden of nastreven.
Toen ik dus zag hoe dit alles mij in den weg stond wanneer ik werk wilde maken van een nieuwe levenswijze; ja, dat het er zoozeer mede in strijd was dat ik òf van het een òf van het ander noodzakelijk afstand zou moeten doen, voelde ik mij genoopt te onderzoeken wat voor mij het nuttigst zou zijn; immers, zooals ik reeds zeide, het scheen of ik een zéker goed voor een ònzeker wilde loslaten. Nadat ik evenwel een poos hierover had gepeinsd, meende ik allereerst dat ik, wanneer ik dit alles los liet en mij tot het nieuwe doel aangordde, een goed dat van nature onzeker is (gelijk uit het hierboven gezegde duidelijk blijkt) zou laten varen voor een weliswaar 00k onzeker, doch niet van nature (immers ik zocht juist een bestèndig goed), maar slechts wat zijn bereikbaarheid betrof. Bij voortgezette overweging echter kwam ik tot het inzicht dat ik, indien ik slechts tot op den grond der zaak zou kunnen doordenken, een zeker kwáád voor een zeker goed vaarwel zei. Ik begreep namelijk dat ik in het hoogste gevaar verkeerde en dwong mijzelf met alle macht het geneesmiddel, hoe onzeker ook, te zoeken; evenals een kranke, aan een doodelijke ziekte lijdend, den dood voorziende wanneer hij geen middel aanwendt, wel genoodzaakt is dit, hoewel het onzeker is, met uiterste krachten aan te grijpen, wijl immers heel zijn hoop er in gelegen is. Al die zaken echter, welke de groote menigte najaagt, zijn niet alleen geenerlei hulpmiddel tot handhaving van ons bestaan, maar integendeel beletselen daartoe en herhaaldelijk zijn zij zelfs oorzaak van den ondergang diergenen die ze bezitten, en steeds van den ondergang diergenen die door hen bezeten worden. Talrijk toch zijn de voorbeelden van hen die vervolging tot den dood toe moesten ondervinden terwille van hun rijkdommen, en eveneens van hen die, om schatten te verwerven, zich aan zoovele gevaren blootstelden dat zij tenslotte hun dwaasheid met het leven boetten. Niet minder talrijk zijn de voorbeelden van hen die de diepste ellende moesten verduren om hun roem te verkrijgen of te handhaven. Talloos ten slotte zijn de voorbeelden diergenen die door al te groote genotzucht hun eigen dood hebben verhaast.
Het kwam mij vervolgens voor dat deze euvelen hun oorsprong vonden in het feit dat heel ons geluk of ongeluk ligt uitsluitend in de geaardheid van het voorwerp dat wij in liefde aanhangen. Want om wat wij niet liefhebben zal nooit twist ontstaan; het veroorzaakt geen droefheid zoo het te gronde gaat, geen nijd zoo een ander het bezit, geen vrees, geen haat, in één woord, geenerlei gemoedsbeweging. Al deze aandoeningen komen slechts van pas bij de liefde tot dingen welke vergankelijk zijn, zooals alles waarover wij zooeven spraken. De liefde tot iets eeuwigs en oneindigs echter weidt de ziel in loutere blijheid en alle droefheid is haar vreemd, wat ten zeerste begeerenswaard is en met alle kracht behoort te worden nagestreefd. Niet zonder reden evenwel bezigde ik de woorden: "indien ik slechts ernstig zou kunnen doordenken" want ofschoon ik dit in mijn geest zoo duidelijk had ingezien, kon ik daarom toch nog niet alle hebzucht, genotzucht en eerzucht afleggen.
Dit eene bemerkte ik, dat mijn geest, zoolang hij zich met deze overpeinzingen bezig hield, zich van die verwerpelijke zaken afwendde en ernstig over zijn nieuwe levensdoel nadacht; wat mij tot grooten troost strekte. Immers ik zag daaruit dat al dit kwade niet van dien aard was dat het voor geen geneesmiddelen wilde wijken. En ofschoon in het begin deze oogenblikken zeldzaam waren en slechts uiterst kort duurden, werden zij toch, naarmate ik al meer en meer het ware goed leerde kennen, talrijker en langduriger; vooral nadat ik had ingezien dat de verwerving van geld, of genot en roem, slechts hinderlijk zijn zoolang zij om hunszelfs wil en niet als middel tot iets anders worden nagestreefd. Wanneer zij slechts als middel gezocht worden, zal men ook maat in hen houden en zullen zij allerminst in den weg staan, maar integendeel in hooge mate het doel, terwille waarvan men ze zoekt, bevorderen, gelijk wij te zijner plaatse zullen aantoonen.
Hier wil ik slechts nog in het kort zeggen wat ik onder een waarachtig goed versta en tevens wat het hoogste goed is. Om dit juist te kunnen begrijpen moet men in het oog houden dat de begrippen goed en kwaad niet anders dan in betrekkelijken zin kunnen worden gebezigd, zoodat één en dezelfde zaak uit verschillende gezichtspunten beschouwd goed of kwaad kan zijn; hetzelfde geldt voor de begrippen volmaakt of onvolmaakt. Immers niets kan op zichzelf, in zijn eigen aard beschouwd, volmaakt of onvolmaakt genoemd worden; vooral sinds wij weten dat al wat geschiedt, plaats grijpt volgens een eeuwige orde en vaste natuurwetten. Waar echter menschelijk vermogen die orde niet in gedachten omvatten kan en de mensch zich nochtans een voorstelling kan vormen van een menschelijken aard veel machtiger dan de eigene, terwijl hij geenerlei beletsel ziet voor het verkrijgen van een dusdanigen aard, wordt hij er toe gedreven naar middelen te zoeken welke hem tot zulk een volmaaktheid zouden kunnen leiden.
Alles nu wat middel zijn kan tot bereiking van dit doel heet een waarachtig goed. Het hoogste goed echter is, zoover te komen dat men, zoo mogelijk, met andere enkelingen samen zulk een aard verkrijgt. Hoedanig evenwel deze aard is, zullen wij te zijner plaatse uiteen zetten, waar dan blijken zal dat hij bestaat in het bewustzijn der eenheid van Geest en Natuur.
Dit is dus het doel waarnaar ik streef, namelijk zulk een aard te verkrijgen en tevens te maken dat nog velen met mij hem verkrijgen. Met andere woorden: tot mijn eigen geluk behoort het mij moeite te geven dat zooveel mogelijk anderen tot hetzelfde inzicht komen als ikzelf, dat hun verstand en begeerte geheel en al met mìjn verstand en begeerte overeenstemmen. Hiertoe is het noodig zooveel van de Natuur te begrijpen als volstaat om zulk een aard te verkrijgen en vervolgens om een zoodanige gemeenschap te vormen als wenschelijk is opdat zoovelen mogelijk zoo gemakkelijk en zoo zeker mogelijk hetzelfde bereiken. Voorts legge men zich toe op de Zedeleer, alsmede de Opvoedkunde. En, wijl gezondheid geen gering hulpmiddel is om het genoemde doel te bereiken, bestudeere men grondig de Geneeskunde, terwijl ook de Mechanica in geenen deele verwaarloosd mag worden, daar door kunstvaardigheid veel moeilijks licht gemaakt wordt en wij door haar veel tijd en moeite in het leven kunnen uitsparen. Maar vóór alles is het noodig een middel te bedenken om het verstand te verbeteren en het, voorzoover dit aanvankelijk gaat, te zuiveren, opdat het de dingen zonder dwaling en zoo goed mogelijk begrijpe.
Een ieder kan hieruit reeds zien dat ik alle wetenschappen op één doeleinde wil richten, te weten om, zooals ik reeds zeide, de hoogste menschelijke volmaaktheid te bereiken. En zoo zal in de wetenschappen al wat ons niets naders brengt tot dit doel als nutteloos verworpen moeten worden; of, om het in één woord te zeggen; al onze daden en gedachten behooren op dit doel gericht te zijn.
Daar wij evenwel, terwijl wij dit doel nastreven en trachten het verstand in het rechte spoor te brengen, toch noodzakelijk moeten leven, zijn wij genoodzaakt vóór alles enkele levensregelen, welke wij voorloopig voor goed houden, aan te nemen, en wel deze:
I. Spreek naar het bevattingsvermogen der menigte en doe verder al wat de bereiking van ons doel niet blijkbaar in den weg staat. Want het levert een niet gering voordeel op wanneer wij ons zooveel mogelijk bij haar bevattingsvermogen aanpassen. Waarbij nog komt dat men zich daardoor een welwillend gehoor voor de waarheid verschaft.
II. Maak van genietingen slechts gebruik voorzoover zij voor het behoud der gezondheid volstaan.
III. Tracht eindelijk slechts zooveel geld of andere zaken te verwerven als volstaan om het leven en de gezondheid te onderhouden en 's lands zeden, voorzoover zij niet in strijd zijn met ons doel, te gehoorzamen. Vertaling: van Suchtelen, 1915
“20 Juli. Wanneer ik hen niet had, Augustinus, Eckhart, Spinoza! Wanneer ik niet altijd weer opnieuw mij bedwelmen kon met hun god-vervulde dronkenheid! O grootste zielen en meest-verblinde, eenige haast die ik begrijp en liefheb. Om hunnentwil en om mij zelf geloof ik dat mijn leven een zin heeft, om onze groote, goddelijke dwaasheid.Credo, quia absurdum. [p. 204-5, ziebijDBNL]
Heb ik tóch een geloof Martha, dat mij troost en gelukkig maakt? Neen mijn geloof is zekerheid; luister naar Bach, naar Dante, naar Goethe, Spinoza...: eens zullen er ménschen leven, zalige, triumfeerende geesten. [p 237]” - Nico van Suchtelen
Uit ervaring had ik inmiddels geleerd dat alles in het gewone leven leeg en zinloos is. Ik zag ook in dat alles waar ik naar verlangde of voor vreesde op zichzelf niet goed of slecht was, alleen mijn reactie erop maakte het zo. Daarom besloot ik uiteindelijk te onderzoeken of er iets bestond dat werkelijk goed was, iets waar je deel van kon uitmaken en waardoor je ziel volledig vervuld kon worden, na alles overige te hebben losgelaten. Kortom: of er iets bestond waardoor ik, wanneer ik het eenmaal gevonden had, voortdurend en intens gelukkig zou kunnen zijn.
Ik zeg ‘uiteindelijk besloot’ omdat het aanvankelijk onverstandig leek om iets zekers op te geven voor iets onzekers. Ik zag immers wel het gemak dat rijkdom en aanzien brachten, en besefte dat ik daarvan afstand zou moeten doen als ik dit nieuwe pad wilde bewandelen. Als het hoogste geluk wél daarin lag, zou ik dat dus mislopen. Maar als het daar níét lag, zou ik ook dan het hoogste geluk mislopen door ernaar te blijven streven.
Ik overwoog of ik misschien tot een nieuwe levenswijze kon komen – of in ieder geval tot zekerheid daarover – zonder mijn huidige leven drastisch te veranderen. Dat heb ik vaak geprobeerd, maar het lukte niet. Want de dingen die er in het leven het meest toe lijken te doen, en die mensen blijkbaar het belangrijkste vinden, zijn er drie: geld, aanzien en genot. Deze drie nemen je geest zo in beslag dat je nauwelijks meer aan iets anders kunt denken.
Wat genot betreft: daarin raak je zo verstrikt alsof je eindelijk iets goeds hebt gevonden, waardoor je sterk wordt gehinderd om aan iets anders te denken. Maar na het genot volgt diepe droefheid, die je geest – ook al houdt die je niet langer gevangen – wel verwart en verlamt. Door geld en aanzien na te jagen raak je niet minder afgeleid, vooral wanneer je ze voor zichzelf nastreeft, omdat je dan denkt dat ze zelf het hoogste goed zijn. Het meest echter word je uit koers gebracht door eerzucht, want aanzien wordt altijd gezien als iets wat op zichzelf goed is, als het ultieme doel waar alles naartoe moet leiden. Bovendien krijg je bij geld en aanzien, anders dan bij genot, geen spijt achteraf. Integendeel: hoe meer je hebt, hoe blijer je bent, en hoe meer je wilt hebben. Maar als je verwachtingen worden teleurgesteld, dan slaat de diepe verslagenheid toe. En ten slotte is eerzucht ook nog eens een grote belemmering omdat je, om in aanzien te komen, je leven moet aanpassen aan wat anderen vinden – je moet vermijden of nastreven wat de meeste mensen vermijden of nastreven.
Toen ik zag dat dit alles in de weg stond van een nieuwe levenswijze – sterker nog, dat het er zo mee in strijd was dat ik een keuze moest maken – voelde ik me genoodzaakt te onderzoeken wat het beste voor me was. Want zoals gezegd: het leek alsof ik iets zekers wilde opgeven voor iets onzekers. Maar na enig nadenken realiseerde ik me dat ik, als ik mijn oude leven losliet en me op dit nieuwe doel richtte, iets wat weliswaar zeker maar van nature onzeker is (zoals hierboven duidelijk werd) zou opgeven voor iets dat ook onzeker is, maar niet van nature – alleen wat betreft de vraag of het te bereiken is (want ik zocht juist iets duurzaams). Bij verder nadenken zag ik in dat ik, als ik maar diep genoeg zou doordenken, eigenlijk een zeker kwaad zou inruilen voor een zeker goed. Ik begreep namelijk dat ik in groot gevaar verkeerde en dwong mezelf met alle kracht dat geneesmiddel te zoeken, hoe onzeker ook – zoals een ernstig zieke die de dood ziet aankomen als hij geen middel gebruikt, wel gedwongen is dat middel aan te grijpen, hoe onzeker ook, omdat daarin zijn enige hoop ligt.
Maar al die dingen waar de massa achter aanloopt, zijn niet alleen geen hulp om je leven te behouden – integendeel, ze zijn obstakels, en vaak zijn ze zelfs de oorzaak van de ondergang van degenen die ze bezitten, en altijd van de ondergang van degenen die erdoor geobsedeerd zijn. Er zijn talloze voorbeelden van mensen die vervolgd werden en omkwamen vanwege hun rijkdom, en van mensen die, om schatten te vergaren, zich aan zoveel gevaren blootstelden dat ze uiteindelijk hun dwaasheid met hun leven bekochten. Niet minder talrijk zijn de voorbeelden van mensen die diepe ellende moesten doorstaan om roem te verkrijgen of te behouden. En ontelbaar zijn de voorbeelden van degenen die door overmatige genotzucht hun eigen dood hebben bespoedigd.
Het leek me dat deze kwalen hun oorsprong vinden in het feit dat al ons geluk of ongeluk uitsluitend afhangt van de aard van wat we liefhebben. Want over wat we niet liefhebben komt nooit ruzie; het veroorzaakt geen verdriet als het verdwijnt, geen jaloezie als een ander het heeft, geen angst, geen haat – kortom, geen enkele emotie. Al deze gevoelens horen alleen bij de liefde voor dingen die vergankelijk zijn, zoals alles waar we net over spraken. Maar de liefde voor iets eeuwigs en oneindigs voedt de ziel met louter vreugde, en alle verdriet is eraan vreemd. Dat is iets wat je heel erg zou moeten willen en met alle kracht zou moeten nastreven. Niet voor niets zei ik echter: “als ik maar serieus zou kunnen doordenken”, want ook al zag ik dit zo helder in, kon ik daarom nog niet alle hebzucht, genotzucht en eerzucht loslaten.
Dit merkte ik wel: zolang mijn geest zich met deze gedachten bezighield, wendde hij zich af van die waardeloze dingen en dacht hij serieus na over zijn nieuwe levensdoel. Dat troostte me enorm, want ik zag daaruit dat dit kwaad niet ongeneeslijk was. En hoewel deze momenten in het begin zeldzaam waren en maar heel kort duurden, werden ze steeds talrijker en langer naarmate ik meer het ware goede leerde kennen – vooral nadat ik had ingezien dat geld, genot en roem alleen maar hinderlijk zijn zolang je ze voor zichzelf nastreeft en niet als middel voor iets anders. Als je ze alleen als middel gebruikt, zul je ook maat houden en zullen ze juist helpen bij het doel waarvoor je ze gebruikt, zoals we later zullen zien.
Hier wil ik alleen nog kort aangeven wat ik onder een werkelijk goed versta en wat het hoogste goed is. Om dit goed te begrijpen moet je beseffen dat de begrippen ‘goed’ en ‘kwaad’ altijd relatief zijn: hetzelfde ding kan vanuit verschillende perspectieven goed of kwaad zijn. Hetzelfde geldt voor ‘volmaakt’ of ‘onvolmaakt’. Niets is op zichzelf, in zijn eigen aard, volmaakt of onvolmaakt te noemen – zeker niet sinds we weten dat alles wat gebeurt volgens een eeuwige orde en vaste natuurwetten verloopt. Maar omdat het menselijk vermogen die orde niet volledig kan bevatten, en de mens zich wel een voorstelling kan maken van een veel krachtiger menselijke natuur dan zijn huidige, terwijl hij geen belemmering ziet om die te bereiken, wordt hij gedreven om naar middelen te zoeken die hem tot die volmaaktheid kunnen leiden.
Alles wat een middel kan zijn om dit doel te bereiken, noem ik een werkelijk goed. Het hoogste goed is echter dat je zover komt dat je, bij voorkeur samen met anderen, zo’n natuur verkrijgt. Hoe die natuur eruitziet, zal ik later uitleggen – dan zal blijken dat het gaat om het bewustzijn van de eenheid van Geest en Natuur.
Dit is dus mijn doel: zo’n natuur bereiken en ervoor zorgen dat anderen dat ook doen. Met andere woorden: tot mijn eigen geluk hoort dat ik ervoor zorg dat zoveel mogelijk anderen tot hetzelfde inzicht komen als ikzelf, dat hun verstand en verlangens volledig overeenstemmen met de mijne. Hiervoor is het nodig genoeg van de Natuur te begrijpen om zo’n natuur te bereiken, en vervolgens zo’n gemeenschap te vormen dat zoveel mogelijk mensen dit zo gemakkelijk en zeker mogelijk bereiken. Verder moet je je bezighouden met ethiek en opvoedkunde. En omdat gezondheid belangrijk is om dit doel te bereiken, moet je geneeskunde bestuderen, terwijl je ook techniek niet moet verwaarlozen, want door vakmanschap wordt veel dat moeilijk is gemakkelijk gemaakt, en kunnen we veel tijd en moeite besparen. Maar het allerbelangrijkste is een methode te vinden om het verstand te verbeteren en het –voor zover dat in het begin mogelijk is– te zuiveren, zodat het de dingen zonder fouten en zo goed mogelijk begrijpt.
Iedereen kan hieruit al zien dat ik alle wetenschappen op één doel wil richten: het bereiken van de hoogste menselijke volmaaktheid, zoals ik al zei. En dus moet in de wetenschappen alles wat ons niet dichter bij dit doel brengt als nutteloos worden verworpen. Kortom: al onze daden en gedachten moeten op dit doel gericht zijn.
Omdat we echter, terwijl we dit doel nastreven en proberen het verstand op het juiste spoor te brengen, toch ook moeten leven, zijn we genoodzaakt voorlopig enkele levensregels aan te nemen, namelijk deze:
1. Praat op een manier die mensen kunnen begrijpen en doe verder alles wat ons doel niet duidelijk in de weg staat. Want het levert veel voordeel op als we ons zoveel mogelijk aanpassen aan wat mensen kunnen begrijpen. Bovendien zorgt dat ervoor dat mensen openstaan voor de waarheid.
2. Geniet alleen in zoverre het nodig is om gezond te blijven.
3. Probeer alleen zoveel geld of andere dingen te verdienen als nodig is om te leven, gezond te blijven en je aan de regels van de samenleving te houden, voor zover die niet met ons doel in strijd zijn. ’Vertaling’ SvE